Alle collecties
 
 

De Amsterdamse onderwijsplaten


De collegeplaten die de afgelopen anderhalve eeuw bij het onderwijs in de botanie aan de Universiteit van Amsterdam werden gebruikt, behandelen de indeling van het plantenrijk (taxonomie), de verspreiding van soorten over de aardbol (plantengeografie), de vorm (morfologie), bouw (anatomie) en levensprocessen (fysiologie) van planten, de voortplanting (bestuiving, bevruchting), de overdracht van erfelijke eigenschappen (genetica) en het medisch gebruik van planten (farmacognosie).

Amsterdamse specialismen

De belangrijkste opdrachtgever was de hoogleraar Hugo de Vries (1848-1935). De Vries deed in de jaren '70 en '80 intensief onderzoek naar het mechanisme van plantengroei. De platen die gemaakt werden voor zijn colleges op dit gebied behandelen onder andere turgor (de wederzijdse druk van de celinhoud en de celwand) en plasmolyse (het onttrekken van water aan cellen waarmee de rol van de turgor bij de celstrekking en de groei kan worden aangetoond). Daarnaast tonen ze de doorlaatbaarheid van het protoplasma voor water en kleurstoffen en de bewegingen van het protoplasma, waardoor voedingsstoffen worden vervoerd. Ook zijn er enkele platen uit de tijd dat Hugo de Vries als privaatdocent aan de universiteit van Halle-Wittenberg werkte. Hij gaf daar in 1877 colleges over landbouwgewassen.

Later specialiseerde De Vries zich in de erfelijkheid. Hij herontdekte de in vergetelheid geraakte erfelijkheidswetten van Mendel, die volgens De Vries de zelfstandigheid van erfelijke eigenschappen bewijzen. Vervolgens ontwikkelde hij de mutatietheorie. Volgens deze theorie kunnen nieuwe eigenschappen alleen ontstaan door sprongsgewijze veranderingen in de moleculaire structuur, zogenaamde mutaties. De platen die door De Vries zelf werden gebruikt om zijn mutatietheorie uit te leggen betreffen ten eerste de grenzen van de variabiliteit. Volgens De Vries kan de variatie binnen een soort worden beïnvloed en vergroot door voeding, selectie en uitwendige omstandigheden, maar kan deze nooit zover ‘opgerekt’ worden dat een bestaande eigenschap overgaat in een nieuwe eigenschap. Alleen door mutaties kunnen nieuwe eigenschappen ontstaan en daarmee nieuwe soorten. Er zijn vele platen die soortvorming bij zijn belangrijkste proefplant de Oenothera lamarckiana (Grote Teunisbloem) illustreren. Daarnaast worden ondersoorten behandeld, die hun bestaan aan een mutatie te danken hebben. Ook mutaties bij andere soorten dan de Oenothera en de mutatietheorie in relatie tot gewasveredeling worden met platen geïllustreerd. Al deze platen gebruikte De Vries om zijn eigen werk te propageren tijdens colleges en lezingen in binnen- en buitenland, onder andere in Amerika in 1904 en 1906. Voor de cursus ‘De gallen en galvormende insecten’ die Hugo de Vries in de winter van 1902-1903 voor het wetenschappelijk genootschap Diligentia in Den Haag hield, liet hij platen maken die hij later voor colleges aan de universiteit gebruikte.

In 1936 werd Jacob Heimans (1889-1978) door de Universiteit van Amsterdam toegelaten als privaatdocent plantengeografie, in 1946 werd hij benoemd tot hoogleraar bijzondere plantkunde en elementaire genetica. Hij doceerde systematiek, anatomie, morfologie, genetica en plantengeografie en gaf bovendien colleges ‘capita selecta’. Daarnaast organiseerde hij het microscopie-practicum. Van de verschillende richtingen in de botanie voelde Heimans zich op dat moment tot de plantengeografie het meeste aangetrokken. Enkele platen uit deze groep dateren uit Heimans’ periode als privaatdocent. De meeste platen werden onder zijn hoogleraarschap vervaardigd. Daarnaast zien we de weerslag van andere wetenschappelijke activiteiten van Heimans, onder andere van zijn onderzoek naar de systematiek van sieralgen.

Ook van de hoogleraren C.A.J.A. Oudemans (1825-1906), die een autoriteit was op het gebied van fungi (schimmels, waaronder paddestoelen) en vele nieuwe soorten heeft beschreven, en Eduard Verschaffelt (1868-1923), die zich bezighield met de invloed van vergiften op levensprocessen van planten, zijn vele collegeplaten bewaard gebleven.

De tekenaars

Het grootste gedeelte van de Amsterdamse platen werd met de hand vervaardigd in opdracht van de Universiteit van Amsterdam. De fraaiste platen (circa 150) werden in de periode 1880-1883 vervaardigd door leerlingen van de Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd te Amsterdam, met als meest vaardige leerlinge Henriëtte Schilthuis. Zeer actief waren de amanuenses van het Amsterdamse laboratorium voor plantenfysiologie J.G. Meijer (1851-1917), die meer dan 250 platen tekende, en C.B. van der Zeijde (1873-?), waarvan 74 platen bekend zijn. A.A. van Voorn (1894-1957) , amanuensis van het Amsterdams Lyceum en bevriend met Heimans, tekende meer dan 50 platen. Ook Hugo de Vries zelf vervaardigde meer dan 50 platen. De kunstenares Nelly Bodenheim tekende, waarschijnlijk in opdracht van De Vries, enkele tientallen fraaie platen die onder andere de mutatietheorie illustreren.

Bron: Erik Zevenhuizen. Collegeplaten Botanie Universiteit van Amsterdam, ongepubliceerd onderzoeksverslag, Amsterdam 2003