Alle collecties
 
 

Een paskaart van Oost-IndiŽ, uitgegeven door Pieter Goos (ca. 1658)


Aan boord van de VOC-schepen werd in de 17e en 18e eeuw een vaste set kaarten gebruikt. Naast een aantal grootschalige kaarten van de toegangen tot bepaalde havens of een baai maakten daar ook zogenaamde 'overseylers' deel van uit, kleinschalige paskaarten van een hele oceaan, of een groot deel daarvan, op mercatorprojectie. De paskaart van 'Oost-Indien' van Pieter Goos is daarvan een mooi voorbeeld. Met een passer en parallelliniaal kon men hierop de koers richting IndiŽ uitzetten.

Een paskaart van de Indische Oceaan was erg belangrijk. De zeeman werd in dit enorme zeegebied met voorheen weinig bekende verschijnselen als passaten, moessons en de equatoriale stilte gordel geconfronteerd. Bovendien kreeg men op zo'n lang traject in oostwaartse richting te maken met het probleem van de geografische lengtebepaling, een onzekerheid in de navigatie waaraan pas een einde kon worden gemaakt toen John Harrison in de loop van de 18e eeuw een nauwkeurige chronometer wist te ontwikkelen. Voordien trachtte men met een log de snelheid van het schip door het water vast te stellen, waarvan het resultaat in 'gegist bestek' langs de afgepaste koers werd ingetekend. Met de wispelturige snelheid van zeestromingen kon men echter geen rekening houden, zodat de einduitslag soms een een flinke afwijking vertoonde ten opzichte van de werkelijkheid.

Vanaf 1611 werd de overzichtelijke maar moeizame route naar IndiŽ door overwegend tropische zones met windstilten en tegenwind verlaten, ten gunste van een route die vanaf Kaap de Goede Hoop min of meer rechtstreeks oostwaarts leidde. De schepen verloren dan weliswaar de vertrouwde eilanden en kusten van Afrika en Zuid-AziŽ uit het oog, maar men kon profiteren van een stevige wind in de rug en een overwegend oostwaartse zeestroming. Bovendien kon het bederf van proviand in deze gematigder streken beter tegengegaan worden. Op de lengte van Sumatra moest de koers naar het noorden verlegd worden en de schepen stevenden vervolgens recht op het beoogde doel, de rede van Bantam op West Java af. De tijdwinst van deze zogenaamde 'Brouwerroute' was in maanden uit te drukken.

De voordelen van de route werden overschaduwd door ťťn nadeel: het probleem met het accuraat bepalen van de lengte maakte het moeilijk de positie vast te stellen waar de wending naar het noorden gemaakt moest worden. Wat er gebeurde als dat niet tijdig lukte laat ook een kaart van Hugo Allardt van de Indische Oceaan ons duidelijk zien: dan zat je spoedig op de verraderlijke riffen van de Australische westkust. Dat is wat Dirk Hartogs overkwam toen hij in 1616 AustraliŽ ontdekte. Diverse onbedoelde, soms rampzalige landingen zouden daarna volgen.

Goos' kaart geeft goed weer hoe de geografische kennis van zaken was in 1658, het veronderstelde jaar van uitgave. Vooral de vroege weergave van AustraliŽ, met de landingen en de belangrijkste contouren die Abel Tasman in 1644 vaststelde, is op een Oost-Indische paskaart als deze iets bijzonders. Een zeekaart op perkament is - al lijkt dat paradoxaal - minder zeldzaam dan grote paskaarten op papier. Traditioneel papier verging snel op zee. Desondanks is de kaart van Goos, net als zijn twee overzeiler-broertjes uit de KNAG collectie, de West-Indische paskaart en de paskaart van Europa, een heel bijzonder, monumentaal stuk, temeer omdat hij waarschijnlijk nooit op zee gebruik is en dientengevolge of juist daarom een fraai uiterlijk heeft: kunstig met de hand ingekleurd en met goud 'gehoogd'.