Alle collecties

Beelddatabank stedenatlassen


De reeks Civitates Orbis Terrarum van Georg Braun en Frans Hogenberg, die in Keulen het licht zag, stond model voor de grote Amsterdamse stedenboeken uit de 17e eeuw. Het eerste deel daarvan verscheen in 1572, het zesde en laatste werd voltooid in 1617/18. Alle belangrijke steden van de toenmalige bekende wereld staan erin afgebeeld. De 363 koperplaten waarmee de kaarten en topografische prenten van Civitates Orbis Terrarum werden afgedrukt, leidden een lang leven. Nog in 1653 wist de Amsterdamse uitgever Johannes Janssonius er de hand op te leggen. Vele Braun & Hogenberg kaarten zijn in diens achtdelige stedenboek van de wereld – soms iets aangepast – opnieuw afgebeeld.

Na 1618 verschenen van de reeks Civitates Orbis Terrarum geen nieuwe, bijgewerkte edities meer. Dat bracht de Amsterdamse cartografen ertoe zelf aan de slag te gaan. Vooral de steden in de Nederlanden veranderden immers snel, zowel door voorspoed als tegenspoed; nieuwe stadsuitbreidingen en vernieuwde verdedigingswerken eisten menige aanpassing van de kaarten. Zelfstandige plattegronden van de bloeiende steden verschenen regelmatig, maar een nieuwe, alle steden omvattende reeks liet ruim dertig jaar op zich wachten. Voortbouwend op het concept van Braun & Hogenberg, en gebruikmakend van de inmiddels gepubliceerde nieuwe plattegronden en kleinere stedenreeksen, verschenen in de tweede helft van de 17e eeuw de beroemde stedenboeken van Joan Blaeu, Johannes Janssonius en Frederick de Wit. Zij vormen een unieke, min of meer homogene momentopname van de 17e-eeuwse stedelijke topografie.

De eerste grote stedenreeks verscheen in 1649 bij de Amsterdamse uitgever van boeken en kaarten Joan Blaeu. Hij beperkte zich aanvankelijk tot twee stedenboeken van de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden (respectievelijk het ‘Statendeel’ en het ‘Koningsdeel’). Daarvoor gebruikte hij zoveel mogelijk origineel, actueel kaartwerk en hij liet een uitvoerige begeleidende tekst in het Latijn of, later, in het Nederlands achterop en op de bladzijden tussen de kaarten afdrukken. Het was Blaeus bedoeling uiteindelijk de kaarten van alle steden van de wereld in een grote reeks stedenboeken te bundelen. Dit ambitieuze project bleef onvoltooid. Hij slaagde er slechts in de twee Nederlandse delen aan te vullen met een reeks stedenboeken van Italië die uiteindelijk ook onvoltooid bleef. Naast de contemporaine stadsplattegronden en afbeeldingen worden die Italiaanse delen gekenmerkt door een rijkdom aan architectuurhistorische prenten van objecten uit de klassieke oudheid. Blaeu liet deze delen alleen met teksten in het Latijn verschijnen.

In 1663 publiceerde Joan Blaeu drie Italiaanse delen, Citta del Vaticano, Roma en Napoli & Sicilia. Zijn erfgenamen voegden daar in 1682 de delen Piemonte en Savoye aan toe. Een complete herdruk van het werk, in vier delen, werd in 1704/05 verzorgd door Pieter Mortier, nu met teksten in het Latijn, Frans of Nederlands. De koperplaten werden door hem in veel gevallen grondig aangepast en een aanzienlijk aantal kaarten van Mortier zelf werd toegevoegd. De stedenboeken van Italië werden voor de laatste maal gepubliceerd door Rutgert Christoffel Alberts in Den Haag. Ook nu weer met teksten in het Latijn, Frans of Nederlands. Deze editie uit 1724/25 is een praktisch ongewijzigde heruitgave van de uitvoering van Pieter Mortier. Voor de beelddatabank werd naast Joan Blaeus eerste editie in het Latijn ook de late Nederlandstalige uitgave van Rutgert Alberts gekozen.

In 1657 volgde Blaeus concurrent Johannes Janssonius met diens stedenboeken van de wereld. In tegenstelling tot Blaeu slaagde híj er dus wél in alle steden van de wereld te bundelen. Dat kon hij doen mede dankzij het veelvuldig kopiëren van Blaeus plattegronden en door het aankopen van de drukplaten van het bovenvermelde werk van Braun & Hogenberg. Die waren vanzelfsprekend inmiddels sterk verouderd. Niettemin had hij zo vijfhonderd koperplaten tot zijn beschikking. Met de verouderde platen kon hij het niet altijd voorhanden actuele kaartmateriaal enigszins aanvullen. Niettemin volgt vaak een nieuwe kaart op de oude van Braun & Hogenberg en werd aldus het volume van deze uitgave flink opgevoerd. Onvermijdelijk is daardoor de samenstelling van het geheel tamelijk onevenwichtig geworden. In deze periode was het nog steeds de gewoonte om de achterzijden van de dubbelgevouwen plattegronden met stadsbeschrijvingen te bedrukken. Slechts één taaleditie zag het licht, in de destijds meest voor de hand liggende internationale taal, het Latijn.

Zo’n veertig jaar later, tegen de eeuwwisseling, was het Frederick de Wit die zich aan nieuwe stedenboeken waagde. De Wit was gevestigd in de Kalverstraat, ‘inde Witte Pascaert’. Hij was meer gespecialiseerd in het werken met koperplaten dan in typografisch drukwerk. De productie maakte hij eenvoudiger door de gedrukte tekst te laten vervallen; de kaarten zijn alle blanco op de rugzijde. Net als Janssonius stond hij op de schouders van anderen. In de jaren 1690 bemachtigde hij een groot aantal overgebleven koperen drukplaten uit de oude productievoorraad van de inmiddels verdwenen bedrijven van Blaeu en Janssonius. Voor steden die in de tussenliggende jaren opvallend veranderd waren, gebruikte hij nieuw materiaal, of liet hij de oude koperplaten bijwerken. Een prachtige tweedelige uitgave met 260 plattegronden en stadsgezichten was het resultaat: het stedenboek van de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden in deel 1, en een aanvullend stedenboek van Europa in deel 2.

De stedenboeken die in de 17e eeuw in Amsterdam gemaakt werden, bereikten een hoog kwaliteitsniveau. Zij waren toen al uniek in de wereld. Zij bieden ons nu een prachtig overzicht van het uiterlijk van veel steden in die periode. Zij vormen daarmee een belangrijke bron voor historisch stedenbouwkundig, kunsthistorisch, architectuurhistorisch en historisch cartografisch onderzoek. Wel moet de inhoud altijd kritisch geanalyseerd en zorgvuldig als bron gehanteerd worden, want deze boekwerken bevatten nog wel eens verouderde of anderszins onbetrouwbare gegevens, terwijl ook een nauwkeurige datering van de kaarten problemen kan opleveren. Met het werk van De Wit kwam er een einde aan de periode van de grote Amsterdamse stedenboeken. Toch hebben veel koperplaten uit die tijd daarna nog een lang leven gehad. Omstreeks 1730 werden vele hergebruikt door de Leidse drukker Pieter van der Aa en vervolgens werden ze tot diep in de 18e eeuw opnieuw afgedrukt en verkocht door het Amsterdamse bedrijf van Covens & Mortier.

Minder ambitieus, maar toch redelijk betrouwbaar en bruikbaar, was de reeks kleine stadsplattegronden, die vanaf circa 1740 uitgegeven werd door Isaak Tirion. Zij worden ook aangetroffen in Tirions meerdelige uitgaven, zoals de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden. Een keuze hieruit, van ‘omtrent honderd platte gronden der voornaamste steden van Europa’, werd in gebundelde vorm door een 18e-eeuws collectief van boekhandelaars op de markt gebracht. Het handzame karakter ervan doet denken aan de tegenwoordige stratenatlassen. De Noord- en Zuid-Nederlandse steden hebben in dit werkje een zwaar overwicht, maar verrassend krijgen zelfs enige steden in de Nieuwe Wereld aandacht, zoals Lima, Cayenne, Paramaribo en New Orleans. Ook al zijn de kaartjes op kleine schaal getekend, voor sommige plaatsen is het de enige of een van de weinige cartografische afbeeldingen uit de 18e eeuw.

Het continentaal imperialisme van Lodewijk XIV en de successieoorlogen in 18e-eeuws Europa brachten kaarten teweeg die bedoeld waren als illustratie bij het oorlogsnieuws. De atlassen waarin zij te vinden zijn, hebben vaak als titel: ‘Magnum Theatrum Belli’, ‘Théâtre de Mars’, of ‘Théâtre de la guerre’. De uit circa 1705 daterende 'Optogt van Mars in Europa', een atlas die in Amsterdam uitgegeven werd door Carel Allard, is van dit genre een goed voorbeeld. Naast enkele overzichtskaarten werden daarin kaarten van veldslagen, belegeringen en linies opgenomen. Tezamen met de vele kaarten die de vestingwerken van de steden extra duidelijk in beeld moesten brengen, levert dit materiaal brede topografische informatie op over de (West-)Europese vestingsteden en andere strategisch belangrijke locaties.

Literatuur

Friedrich Bachmann, Die alten Städtebilder : ein Verzeichnis der graphischen Ortsansichten von Schedel bis Merian. Leipzig : Karl W. Hiersemann, 1939.

Alois Fauser, Repertorium älterer Topographie : Druckgraphik von 1486 bis 1750. Wiesbaden : Reichert, 1978.

Historische plattegronden van Nederlandse steden. Lisse : Stichting Historische Stadsplattegronden (Alphen aan den Rijn : Canaletto,       1978 - …..).

Peter van der Krogt, The town atlases: Braun & Hogenberg, Janssonius, Blaeu, De Wit, Mortier and others. Verschijnt als deel IV in de reeks Koeman’s Atlantes Neerlandici (’t Goy-Houten : Hes & De Graaff,       1997- …. ).