toon alle portretten gerelateerd aan dit onderwerp
De Universiteit van Amsterdam afficheert zich graag als stadsuniversiteit.
Op grond van haar geschiedenis is daar alle reden voor. Meer dan driehonderd
jaar, vanaf de stichting van het Athenaeum Illustre in 1632 tot de Wet op
het Wetenschappelijk Onderwijs in 1960 was de stadsregering direct bij
het bestuur betrokken. Daarna werd de universiteit een zelfstandig
bestuursorgaan.
Toen in 1629 door de stad eenmaal het besluit was genomen om een Athenaeum
te stichten, - geheel en al ten laste van de stedelijke kas - kregen de
burgemeesters het recht twee curatoren (toezichthouders) te benoemen voor
het toezicht op het Athenaeum. De functie van curator werd tot in de negentiende
eeuw vaak gecombineerd met die van schoolopziener van de twee Latijnse scholen.
Een van de eerste curatoren was
Nicolaas Tulp
(1593-1674), vooral bekend van het schilderij
De Anatomische Les
van Rembrandt. Over de werkzaamheden van de curatoren in de zeventiende
en achttiende eeuw is weinig overgeleverd. Ze hadden een zekere zeggenschap
bij de benoeming van hoogleraren, voorts waren ze betrokken bij de
aanstelling van de bibliothecaris en bij de goedkeuring van de oraties.
Tijdens de Franse tijd veranderde er veel. De financiering bleef een
verantwoordelijkheid van de stad, maar een nieuw radicaal stadsbestuur
begon in 1796 aan een zuivering, waaraan het Athenaeum niet helemaal
ontkwam.
Hendrik Constantijn Cras
(1739-1820) werd geschorst in 1798, overigens spoedig weer ongedaan
gemaakt door de omslag naar een gematigder politieke koers. Van 1798
tot 1804 verloor de stad de zeggenschap over de benoeming van hoogleraren
en als gevolg van de reorganisatie van het Franse onderwijsstelsel viel het
Athenaeum vanaf 1810 onder de Universiteit van Leiden, waardoor een deel
van de schoolgelden bestemd werd voor de Leidse universiteit. De hoogleraar
Jan Hendrik van Swinden
(1746-1823) verdedigde de belangen van het Athenaeum. Ondanks de
moeilijkheden breidde het aantal hoogleraren zich uit van van acht tot elf.
Inmiddels was Amsterdam in 1815 hoofdstad geworden. Wederom was het toezicht
op het Athenaeum in handen van curatoren. Na de reorganisatie van de
Latijnse Scholen in 1847 werd een apart curatorium voor het Athenaeum gevormd.
De belangrijkste taak in de negentiende eeuw was het beheer van het Athenaeum,
het beheer van de stadsbibliotheek en de laboratoria inclusief de financiën.
Voorts was het belast met de uitoefening van het tuchtrecht over de studenten.
De hoogleraar
David Jacob van Lennep
(1774-1853), vooral als dichter bekend, was lange tijd secretaris van het
College van Curatoren.
Het curatorium heeft in navolging van de rijksuniversiteiten een aantal
academische plechtigheden ingevoerd, die nu nog steeds in ere worden
gehouden. Dit was de openbare les, zowel bij de opening van het academisch
jaar als tijdens de jaarlijks te houden viering van de dies natalis
(geboortedag) op 8 januari, die tot in de jaren zestig van de twintigste
eeuw werd gehouden door de rector; de voorzitter van de senaat (orde van
hoogleraren).
De bedoeling van het Athenaeum was - zoals daarvoor - bevordering van
de algemene ontwikkeling en voorbereiding op de academische examens, maar
daarin lag ook haar zwakheid, het missen van het promotierecht. Regeling
was een zaak van de rijksoverheid. Pas na de grondwetsherziening van 1848
waarin vrijheid van onderwijs was opgenomen leek de weg hiervoor vrij.
Het curatorium heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Eerst om de
gemeenteraad te overtuigen, daarnaast in gezamenlijke actie met hoogleraren,
studenten en de gemeenteraad. Notoire voorvechters van de omzetting van het
Athenaeum waren de hoogleraren
Jeronimo de Bosch Kemper
(1808-1862) en
Gijsbert van Tienhoven
(1841-1914), die beiden uit onvrede over de slechte organisatie van het
Athenaeum ontslag hebben genomen. Van Tienhoven heeft vervolgens als
gemeenteraadslid de zaak bepleit. Pas in 1877 werd het Athenaeum omgevormd
tot Universiteit van Amsterdam.