toon alle portretten gerelateerd aan dit onderwerp
In 1743 schonk de Amsterdamse koopman-verzamelaar Gerardus van
Papenbroeck
52 geleerdenportretten
aan het Athenaeum Illustre, de
voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Het waren de eerste
portretten van een verzameling die nu bijna 500 portretten bevat.
Van Papenbroeck (1673-1743) bezat verscheidene verzamelingen, die
alle te maken hadden met zijn liefde voor de dichtkunst, de letteren
en de oudheid. Zijn handschriftenverzameling, bevattende
'eigenhandige brieven van Keizers, Koningen, Prinsen, en de
voornaamste Geleerden sedert twee eeuwen herwaarts', legateerde hij
aan de Leidse universiteit. Alleen de handschriften van P.C. Hooft
wilde Van Papenbroeck voor Amsterdam behouden, Hij schonk ze aan de
bibliotheek van het Athenaeum Illustre, nu Universiteitsbibliotheek
Amsterdam. De zogenaamde Marmora Papenburgica, ongeveer 140
beeldhouwwerken uit de oudheid, voor een groot deel bestaande uit
Romeinse inscripties, schonk hij aan de universiteit van Leiden. Ze
vormden de basis voor het huidige Rijksmuseum voor Oudheden.
Daarnaast bezat Van Papenbroeck een grote collectie portretten van
'Geleerde en Vermaarde mannen'. Dit waren bijna 80 portretten van
staatslieden en ruim 80 portretten van geleerden, vooral theologen en
schrijvers. Een deel van de portretten hing in zijn huis Herengracht
336 te Amsterdam, een ander deel in de nu afgebroken buitenplaats
Papenburg te Velzen. De portretten verdeelde hij over verschillende
instellingen. Een serie van twaalf portretten van religieuze mannen,
waaronder vele vroege kerkhervormers, werd geschonken aan de Nieuwe
Kerk in Amsterdam, een portret van Erasmus werd geschonken aan de
stad Rotterdam en een portret van Hugo de Groot aan Delft. Het
grootste gedeelte, 52 portretten, zou worden geschonken aan het
Athenaeum Illustre en haar bibliotheek. Een bijzondere beslissing,
aangezien het Athenaeum in deze periode een bijzonder kleine
instelling was. De in 1742 aangestelde hoogleraar
Petrus Burmannus Secundus,
die een nieuwe bloeiperiode voor het Athenaeum inluidde,
zal ongetwijfeld grote invloed hebben gehad op de schenking. Het
Athenaeum kreeg ook het enorme schilderij
De ruïnes van Palmyra;
een buitenbeentje in de schenking, dat meer in relatie staat
tot de oudheidkundige collectie van Van Papenbroeck.
De schilderijen werden opgehangen in de Grote Gehoorzaal van het
Athenaeum Illustre, op de eerste verdieping van de voormalige
Agnietenkapel op de Oudezijds Voorburgwal, de huidige locatie van het
Universiteitsmuseum De Agnietenkapel. In 1743 is een
plattegrond
van de zaal gemaakt, waarop de portretten zijn ingetekend. In 1991
werden
ze op hun oorspronkelijke plaatsen teruggehangen.
In de collectie bevinden zich drie portretten van vroegere
hoogleraren aan het Athenaeum:
Vossius,
Barlaeus en
Episcopius.
Daarnaast zijn er humanistische beroemdheden te zien als
Erasmus,
Lorenzo de Medici 'il Magnifico',
Calvijn,
Barclaius en
Ariosto, deze
laatste vermoedelijk direct geschilderd naar een tekening van
Titiaan. Geportretteerd zijn ook
twee pausen,
die 'heftige inquisiteurs' waren en in 1921 op verzoek van de
Faculteit der
Godgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam uit de
faculteitskamer werden verwijderd omdat 'noch zij noch wij met
elkaars gezelschap zijn gebaat'.
Hoogtepunten in de Collectie Van Papenbroeck zijn de portretten van
Johannes Antonides van der Goes
en van
Petrus Francius,
beiden geschilderd door de zeeschilder Ludolf Bakhuysen,
een kniestuk van
Pieter Cornelisz Hooft,
geschilderd door Michiel van Mierevelt, en een portret van
Vondel,
in 1660 geschilderd door de 'Leydschen Apelles Johan Lievens'.