De 'Tweede Gouden Eeuw'

Hoofdpagina
Inleiding
De Gouden Eeuw
De Collectie Van Papenbroeck
Het stadsbestuur en het Atheneum
De 'Tweede Gouden Eeuw'
Zoek in de collectie
Blader door de collectie
Zoek in meerdere beeldcollecties
Universiteitsmuseum
Realisatie
Digitaal Productiecentrum


toon alle portretten gerelateerd aan dit onderwerp

De periode rond 1900 wordt wel 'de tweede gouden eeuw' genoemd. Dit gold zeker voor Amsterdam. De stad, die in 1815 hoofdstad van het Koninkrijk der Nederlanden was geworden, bloeide op; zowel op het gebied van de economie en cultuur als op het gebied van de wetenschap. Het Athenaeum Illustre werd in 1877 omgezet in Universiteit van Amsterdam en dit droeg bij aan een ongekende bloei in de natuurwetenschappen.

Al vanaf 1863 stroomden nieuwe groepen het hoger onderwijs binnen dankzij de in dat jaar ingevoerde HBS. Daarnaast was voor artsen sinds 1865 een academische opleiding verplicht en de medische opleiding aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre profiteerde hiervan. Het toegenomen 'gewicht' van de opleiding was in 1876 een van de argumenten voor de verheffing van het Athenaeum tot een universiteit.

Er heerste een nieuw wetenschapsideaal: wetenschap diende niet alleen als middel ter vergroting van welvaart, maar ook als een geestelijk goed, dat waard is ter wille van zichzelf te worden beoefend. Er kwam meer overheidsgeld vrij voor de aanstelling van prominente onderzoekers in de natuurwetenschappen en de bouw van laboratoria om het vaak experimentele onderzoek uit te voeren.
Zo verdubbelde in Amsterdam het aantal leerstoelen in de wiskunde en natuurwetenschappen tussen 1870 en 1880. Veel latere beroemdheden werden in deze tijd aangesteld, zoals Johan Dirk van der Waals (1837-1923), hoogleraar natuurkunde vanaf 1877, opgevolgd door Pieter Zeeman (1865-1943) hoogleraar van 1908 tot 1935, Jacobus Henricus van 't Hoff (1852-1911), hoogleraar in de chemie, mineralogie en geologie van 1878-1896, Hugo de Vries (1848-1935), hoogleraar experimentele plantenfysiologie van 1878 tot 1918, Max Weber (1852-1937), hoogleraar in de vergelijkende anatomie, de zoötomie en het zoölogisch deel der paleontologie van 1882 tot 1922, Eugène Dubois (1858-1940), hoogleraar in de geologie, de paleontologie, de mineralogie en de kristallografie van 1898 tot 1928, L.E.J. Brouwer (1891-1966), hoogleraar wiskunde vanaf 1912 tot 1951, etcetera.

De internationale reputatie blijkt uit het groot aantal Nobelprijzen dat aan hen werd toegekend. Van 't Hoff was de eerste scheikundige die in 1901 een Nobelprijs ontving. Zeeman ontving samen met Hendrik Antoon Lorentz in 1902 de Nobelprijs voor de natuurkunde, evenals in 1910 Van der Waals.
Buiten de natuurwetenschappen werd in 1911 de Nobelprijs voor de vrede aan een vierde 'Amsterdammer' toegekend, Tobias Michaël Carel Asser (1838-1913), hoogleraar hedendaags recht vanaf 1862, vanaf 1877 hoogleraar handelsrecht en internationaal recht tot 1893.

Het aanzien van de Amsterdamse Plantage veranderde eind negentiende eeuw door de bouw van vele laboratoria. In 1880 verrees het Physisch laboratorium voor van der Waals aan de Plantage Muidergracht, in 1891 het Physisch-chemisch laboratorium voor Van 't Hoff aan de Nieuwe Prinsengracht, in 1914 het Hugo de Vries Laboratorium aan de Plantage Middenlaan en in 1923 het Physisch laboratorium voor Zeeman aan de Plantage Muidergracht.