Inleiding

Hoofdpagina
Inleiding
De Gouden Eeuw
De Collectie Van Papenbroeck
Het stadsbestuur en het Atheneum
De 'Tweede Gouden Eeuw'
Zoek in de collectie
Blader door de collectie
Zoek in meerdere beeldcollecties
Universiteitsmuseum
Realisatie
Digitaal Productiecentrum


Zoals vele universiteiten bezit de Universiteit van Amsterdam een grote collectie portretten. Deze collectie werd begonnen in 1743, toen de Amsterdamse koopman Gerard van Papenbroeck vijftig portretten van 'Geleerde en Vermaarde mannen' naliet aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. De gehele collectie was tot 1864 geplaatst in de Agnietenkapel, de bakermat van het Athenaeum Illustre.
Nu, ruim 250 jaar later, bestaat de collectie uit bijna 500 portretten. De groei van de universiteit en de verspreiding over vele gebouwen in de stad heeft geleid tot versnippering van de collectie. Plaatsing in één gebouw, zoals voorheen, is onmogelijk geworden. Tegenwoordig bevinden de portretten zich voornamelijk in de senaatskamer, de universiteitsbibliotheek en de vele faculteitskamers, daarnaast hangt het leeuwendeel van de oude werken in de Agnietenkapel, waaronder vrijwel de gehele collectie Van Papenbroeck.
In de virtuele portretgalerij is de volledige collectie samengebracht. Deze galerij biedt de unieke mogelijkheid alle portretten, waarvan een groot deel niet openbaar toegankelijk is, bij elkaar te zien.

In de portrettencollectie die Gerard van Papenbroeck in 1743 naliet, bevonden zich afbeeldingen van de eerste hoogleraren van het Athenaeum, Gerard Johannes Vossius, Caspar Barlaeus en Simon Episcopius . De rest van de collectie bestond uit portretten van voorbeeldige mannen, die als inspirerend voorbeeld moesten dienen voor de in de collegezaal verzamelde studenten. Naast schilderijen van grote kunstenaars als Michiel van Mierevelt en Jan Lievens bevonden zich vele anonieme kopieën in deze collectie.

Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw werd de collectie uitgebreid, aanvankelijk met enkele portretten van grote geleerden, later vooral met portretten van hoogleraren van het Athenaeum Illustre. Bij het verlaten van de Agnietenkapel in 1864 werd de collectie overgebracht naar de Garnalendoelen aan het Singel , een gebouw dat nu onderdeel uitmaakt van de Universiteitsbibliotheek.

In 1877 werd het Athenaeum omgevormd tot universiteit. Vanaf dat jaar werden de portretten in de senaatskamer in het Oudemanhuispoortcomplex geplaatst. De belangstelling voor de collectie nam toe en op aandringen van professor J.W.R. Tilanus werden alle nabestaanden van hoogleraren aangeschreven met het verzoek een portret te schenken. Dit leidde tot de aanwinst van enkele tientallen kunstwerken. Schilders als J.A. Kruseman , N. Pieneman en Jozef Israëls werden in de collectie vertegenwoordigd.

De bloei van de universiteit rond het jaar 1900 bracht vele beroemde hoogleraren voort die allen geportretteerd werden. Er ontstond een traditie waarin hoogleraren hun eigen portret nalieten aan de universiteit, wat leidde tot grote uitbreiding van de collectie. In de eerste helft van de 20e eeuw werden meer dan 100 werken vervaardigd, onder anderen door belangrijke Nederlandse kunstenaars als Isaac Israels, Jan Veth, Thérèse Schwartze, Jan Toorop, W. Schuhmacher, Edgar Fernhout en Kees Verwey en Johan Wertheim.

De traditie wordt nog steeds voortgezet. Tegenwoordig worden er naast hoogleraren ook voorzitters van het College van Bestuur geportretteerd. Ook zijn er een aantal historische collecties bij de universiteit ondergebracht waar zich portretten in bevinden, bijvoorbeeld de collectie van het voormalige Vondelmuseum.


Voor meer informatie kunt u terecht bij het Universiteitsmuseum.


Bron: Regteren Altena, I.Q. van, en P.J.J. van Thiel, De portret-galerij van de Universiteit van Amsterdam en haar stichter Gerard van Papenbroeck 1673-1743, Amsterdam 1964.