De Gouden Eeuw

Hoofdpagina
Inleiding
De Gouden Eeuw
De Collectie Van Papenbroeck
Het stadsbestuur en het Atheneum
De 'Tweede Gouden Eeuw'
Zoek in de collectie
Blader door de collectie
Zoek in meerdere beeldcollecties
Universiteitsmuseum
Realisatie
Digitaal Productiecentrum


toon alle portretten gerelateerd aan dit onderwerp

De gouden eeuw (1580-1720) was een tijd van bloei in de kunsten en wetenschappen, zeker voor de stad Amsterdam. Ook het onderwijs kwam op een hoger niveau te staan dan ooit tevoren. In 1632 werd het Athenaeum Illustre opgericht, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Deze instelling ontwikkelde zich in de 17e eeuw tot een ware academische opleiding; alleen de afsluitende examens diende men bij een universiteit af te leggen.

Vóór 1632 was de hoogste vorm van onderwijs in Amsterdam de Latijnse School, wat wij nu middelbaar onderwijs zouden noemen. Het besluit tot de stichting van hoger onderwijs, het Athenaeum Illustre, werd eind 1629 genomen. Het Amsterdamse stadsbestuur wilde aankomende studenten een mogelijkheid bieden zich voor te bereiden op academisch onderwijs elders. Bovendien vond men de Amsterdamse 13-jarigen, als ze van de Latijnse School afkwamen, te jong voor het ruwe leven in de bestaande universiteitssteden zoals Leiden.
Bezwaren van universiteiten in de Republiek en daarbuiten, van politieke, economische en religieuze aard, zorgden ervoor dat het Athenaeum Illustre pas in 1632 kon worden geopend. Op 8 januari van dat jaar hield Gerardus Ioannis Vossius zijn inwijdingsrede De utilitate historiae (Over het nut der geschiedenis) in de grote gehoorzaal van de Agnietenkapel. Hij was aangesteld als hoogleraar kerkgeschiedenis, letteren en welsprekendheid. Een dag later volgde zijn enige collega Caspar Barlaeus als eerste hoogleraar in de wijsbegeerte met een voor Amsterdammers toepasselijke rede getiteld Mercator Sapiens (De wijze koopman). Deze hoogleraren waren beroemdheden in hun tijd en pasten goed in het liberale Amsterdam: beiden waren van hun aanstelling in Leiden ontheven wegens hun vrijzinnige ideeën.

Hoewel het Athenaeum slechts bedoeld was als 'onderbouwstudie', een graad halen kon men er niet, werd de opleiding geleidelijk uitgebreid. In 1634 met het vak wiskunde, gegeven door Martinus Hortensius, in 1640 met rechten, gegeven door Cabeljauw, in 1659 met geneeskunde, waarvoor Gerardus Blasius werd aangesteld en in 1686 tenslotte met theologie door de aanstelling van Gerbrand van Leeuwen. Pas in dat jaar was de opleiding met de drie 'echte' academische studies theologie, rechten en medicijnen, compleet.

Er waren verscheidene opleidingen die intensief samenwerkten met het Athenaeum. Hoewel de theoretische geneeskunde aan het Athenaeum werd gegeven, was het praktisch medisch onderwijs tot de Franse Tijd in handen van het Collegium Chirurgicum, het chirurgijnsgilde. Nicolaas Tulp en Frederik Ruysch waren door dit gilde benoemd tot hoogleraren. Zij verzorgden het onderwijs in de Hortus Botanicus en het Theatrum Anatomicum. Een andere belangrijke onderwijsinstelling in Amsterdam was het Remonstrants Seminarium; een kerkelijke opleiding voor Remonstranten. De eerste hoogleraar aan deze instelling was Simon Episcopius. Deze opleiding van een niet officieel geaccepteerde geloofsrichting werd juist in het liberale Amsterdam gevestigd, waar samenwerking met het Athenaeum mogelijk was.