Alle collecties
 
 

Waterstaat


Water (c.q. waterstaat, waterschappen, droogmakerijen, rivieren, kanalen en dijken) is in Nederland altijd een belangrijke motivatie geweest om kaarten te maken. Beleid, planning, constructie en beheer van alle met waterstaat samenhangende zaken is nauwelijks denkbaar zonder te beschikken over goede kaarten. Daaraan heeft laag-Nederland al in een vroeg stadium goede, grootschalige kaarten te danken. In de 16e, maar vooral in de 17e eeuw vormde de lappendeken van aaneensluitende kaarten van waterschappen een ideale basis voor het samenstellen van kaarten van het gehele gebied.


Waterschappen, polders en dijken in kaart, voor oorlog, landaanwinst en beheer

Een van de oudste kaarten die vaak gekozen wordt als uitgangspunt voor historisch gerichte studies van (Noord-) Holland is de kaart van Noord-Holland door Joost Jansz. Beeldsnijder uit 1575. Juist omdat hij gemaakt werd voor de Spanjaarden, ten behoeve van hun strijd tegen de opstandige steden aldaar, was een registratie van alle waterstaatkundige obstakels van essentieel belang. Kort daarna moesten de zorgbarende meren er één voor één aan geloven. De Zijpe, helemaal in het noorden staat al op de kaart van Beeldsnijder, de versie uit 1608, bijgetekend. Van alle droogmakerijen werden afzonderlijke kaarten gemaakt, als plan, ter uitgifte van de gronden of ter registratie van de voltooide situatie. Voorbeelden: de Zijpe (droog 1597), de Wormer (droog 1626), de Watergraafsmeer (droog 1629) en de Schermer (droog 1635). Sommige droogmakerijen, zoals de Haarlemmermeer bleven lang in het projectstadium steken. Een van de oudste plannen voor droogmaking van het grote en waterstaatkundig gecompliceerde Haarlemmermeer is van Jan Adriaensz. Leeghwater. Andere droogmakingen werden nooit uitgevoerd, zoals een inpolderingsplan van de Gouwzee laat zien.
Hele waterschappen, oud en nieuw land, moesten voor een effectief beheer in kaart worden gebracht. Dat begon goed op gang te komen tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), toen kaarten van Delfland, Schieland en Rijnland op een grote schaal in druk verschenen, resulterend in nieuwe kleinschalige overzichtskaarten van het zuidelijk en noordelijk deel van Zuid-Holland. Ook problematische, overstromingsgevoelige polders langs de grote rivieren, zoals de Maas, kregen kaarten die soms zelfs in atlassen gebruikt konden worden. In 1712 werd Delfland opnieuw in kaart gebracht, nu heel accuraat opgemeten door Nicolaas Samuelsz. Cruquius op de toen ongebruikelijke metrieke schaal van 1:10.000. De 25 bladen daarvan werden voorafgegaan door een fraaie overzichtskaart van het hoogheemraadschap Delfland.


Rivieren en kanalen

Cruquius was een van de beroemdste waterstaatkundigen uit de 18e eeuw. Op zijn naam staat de primeur van de eerste gedrukte kaart met dieptelijnen. Daarop is de rivier de Merwede te zien en de gedetailleerde topografie van de oeverlanden, van Hardinxveld tot Loevestein. Met de rivierkaarten van Cruquius begon een periode van intensieve karteringen van de Nederlandse rivieren. De toegenomen ambtelijke activiteit op dit gebied weerspiegelde zich al snel in de commerciële cartografie. Zo kon men in het midden van de 18e eeuw een overzichtskaartje van benedenlopen van de grote rivieren tegenkomen in de handatlassen die Isaak Tirion in Amsterdam uitgaf.
Er wordt wel eens over het hoofd gezien dat door hun buitengewoon grote schaal én het feit dat het omliggende gebied royaal in het kaartbeeld meegenomen is, deze kaarten voor sommige gebieden (waaronder riviersteden en dijkdorpen) het gewoonlijk gebruikte topografische bronnenmateriaal ruimschoots in ouderdom, kwaliteit en bruikbaarheid overtreffen. Behalve dat bieden sommige kaarten en kaartreeksen juweeltjes van cartografie en reproductietechniek, zoals de eerste in lithografische kleurendruk verschenen bladen van de Rivierkaart van Nederland (1829-1864) duidelijk maken.
Het meeste vervoer ging in vroeger eeuwen over water. Daar waar geen water was groef men zo nodig kanalen, die mede een rol speelden bij de afwatering. Jacob Bartelsz. Veris trachtte in 1640 het nuttige met het aangename te verenigen en lanceerde een droogmakingsplan voor het Haarlemmermeer waarmee zowel de waterstaat zelf als het vervoer over het water gediend waren. Een uitgebreid kanalensysteem omgaf en doorsneed de polder. Ondanks het bijbehorende lofdicht van Joost van den Vondel werd het plan niet gerealiseerd, de trekvaarten naar Haarlem en verder naar Leiden wel. Binnen enkele jaren lag Amsterdam als spin in een web van trekvaarten.
In de 19e eeuw kwam er een heropleving van de kanalengraverij. Als eerste poging om Amsterdam weer een goede zeeverbinding te geven werd het Noord-Hollands Kanaal gegraven, gebruikmakend van veel reeds bestaande vaarten en ringsloten. Het halverwege afgeblazen plan om een kanaal door Waterland en Marken te graven, de zgn. 'Napoleonsvaart' is linksonder zichtbaar.

Literatuur:

Brink, Paul van den, 'In een opslag van het oog' : De Hollandse rivierkartografie en waterstaatszorg in opkomst, 1725-1754. Alphen aan den Rijn : Canaletto/Repro-Holland, 1998.

Koeman, C., Geschiedenis van de kartografie van Nederland : zes eeuwen land- en zeekaarten en stadsplattegronden. Alphen aan den Rijn : Canaletto, 1983.