| Herkomst | Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels - Amsterdam (1815-1998) Koninklijke Vereniging van het Boekenvak - Amsterdam (1999-2005) Stichting Bibliotheek van het Boekenvak - Amsterdam (2005-heden) |
|---|---|
| Titel | Bibliotheek van het Boekenvak |
| Datering | 1579-heden (merendeel: 1850-heden) |
| Omvang | ca. 5000 meter |
| Taal (materiaal) | Diverse talen, waaronder Nederlands, Frans, Duits, Engels en Latijn |
| Samenvatting | De Bibliotheek van het Boekenvak werd in 1845 opgericht als een vakbibliotheek voor leden van de toenmalige Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels. Later werd het verzamelbeleid verbreed tot de documentatie van de geschiedenis van het Nederlandse boekbedrijf. In 1958 werd de complete bibliotheek in bruikleen gegeven aan de Universiteitsbibliotheek Amsterdam. De collectie omvat een uitgebreide vakbibliotheek op gebied van het boekwezen (boekwetenschap, kopijrecht, typografie, grafische industrie, drukkerij, uitgeverij, boekhandel) en een grote verzameling bronnenmateriaal over de geschiedenis van het Nederlandse boek (boekproductie, boekhandel, boekwezen). Belangrijke onderdelen van de verzameling betreffen de archivalia van Nederlandse boekbedrijven, boekhandelscatalogi, letterproeven en bedrijfsarchieven. Ook van een aantal organisaties en instellingen op het gebied van het boekwezen worden archieven bewaard. De Bibliotheek van het Boekenvak is een van de meest omvangrijke en veelzijdige boekhistorische collecties ter wereld. Voor de geschiedenis van het Nederlandse boekbedrijf vanaf de zeventiende eeuw omvat de collectie essentiële bronnen en documentatie. |
| Collectienummer | UBA55 |
| Instelling | Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA) |
| Bewaarplaats | Bijzondere Collecties |
De Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB) werd in 1815 opgericht onder de naam Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels. De term 'boekhandel' moet in de ruimste zin worden opgevat; drukkers, binders, uitgevers, boekverkopers, antiquaren en andere ondernemers uit het boekenvak konden zich bij de Vereeniging aansluiten.
Het oorspronkelijke doel van de Vereeniging was om gezamenlijk op te treden tegen de nadruk van boeken en daarnaast de vakkennis van de deelnemende leden te bevorderen. Als zodanig was zij een van de eerste brancheorganisaties op dit vakgebied in Europa. Om haar doelen te verwezenlijken gaf de vereniging haar eigen blad uit (Nieuwsblad voor de Boekhandel, nu Boekblad) en richtte een distributiecentrum op (nu Centraal Boekhuis) en een eigen propaganda-instelling (de huidige Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek).
In 1990 vierde de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels haar 175-jarig bestaan. Bij die gelegenheid kreeg de vereniging het predikaat 'koninklijk' en werd de lange naam verkort tot Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB).
De huidige KVB behartigt de belangen van het collectieve boekenvak en verzorgt een breed takenpakket voor de Nederlandse boekenbranche. Zij zette zich onder meer in voor het behoud van de vaste boekenprijs. In 2001 startte de vereniging het Kenniscentrum. Hier bundelde zij haar opleidingscentrum (nu VOB), het vakblad Boekblad en het onderzoeksbureau Speurwerk. Verzamelen en verspreiden van informatie is een van de kerndoelen van de KVB.
Al in 1845 werd een bibliotheek opgezet die onder beheer viel van de KVB. In 2005 veranderde de organisatiestructuur van de KVB en werd de Stichting Bibliotheek van het Boekenvak in het leven geroepen, die het eigendom van de bibliotheek van de KVB overnam.
De Bibliotheek dankt haar ontstaan aan twee vooraanstaande Nederlandse boekhandelaren, Frederik Muller (1817-1881) en Jean Louis Charles Jacob (1806-1865). In 1844 stelden zijn aan het bestuur van de Vereeniging voor een vakbibliotheek op te richten waarmee de leden hun vakkennis konden uitbreiden. De bibliotheek moest onder meer voorzien in de benodigde kennis over de wetgeving van de boekhandel, de bibliografische studie en de bestudering van de geschiedenis van de letterkunde. Beide ondernemers stelden bovendien een deel van hun eigen collectie beschikbaar voor de nieuw op te richten bibliotheek.
Het bestuur van de Vereeniging had – ondanks de goede intenties – grote moeite met het voorstel, omdat Jacob reeds zes jaar (vanaf het moment dat hij zijn zaak had overgedaan) geen contributie meer had betaald. Een boze Muller trok het voorstel daarop in maar bracht het een jaar later nogmaals in de vergadering nadat de plooien waren gladgestreken. Het voorstel van de beide ondernemers werd door de ledenvergadering op 11 augustus 1845 gehonoreerd en die datum geldt dan ook als oprichtingsdatum van de bibliotheek.
Een van beide initiatiefnemers, de befaamde Amsterdamse antiquaar en boekhandelaar Frederik Muller, werd benoemd als de eerste bibliothecaris. Muller stelde een vertrek in zijn woonhuis beschikbaar voor de vestiging van de bibliotheek en schonk bovendien zijn eigen vakbibliotheek, zoals ook mede-initiatiefnemer J.L.C. Jacob deed.
Een jaar na de oprichting (op 10 augustus 1846) werd de eerste Commissie van de Bibliotheek benoemd, waarin naast de initiatiefnemers Muller en Jacob ook – op aandrang van de leden en het bestuur – Isaac Anne Nijhoff (1795-1863) werd benoemd. Hij werd belast met het toezicht op het beheer en met het maken van een catalogus, zodat het bezit voor de leden kon worden ontsloten.
Deze eerste catalogus, een alfabetische titellijst, werd samengesteld door C.H. Brinkman en was gereed in 1847. De bibliotheek omvatte op dat moment een boekenbestand van ongeveer 300 werken. Onduidelijk is welk aandeel hierin werd gevormd door de schenking van Muller en die van Jacob; alleen het door Muller geschonken deel zou immers de 300 titels overtreffen. Wellicht dat de door Jacob toegezegde boeken nooit in de bibliotheek ten huize van Muller zijn terechtgekomen.
De omvang van het boekenbestand nam vervolgens gestaag toe door gerichte aankopen, waarvoor in de eerste vijf jaar een jaarlijks budget van ƒ 75,- beschikbaar was. De Bibliotheekcommissie diende hiervoor jaarlijks verantwoording af te leggen, maar in de drukke, dagelijkse praktijk was het feitelijk Muller die aankopen deed en deze veelal uit eigen middelen betaalde om zodoende tijdrovende administratie te vermijden. Maar de bibliotheek groeide vooral door schenkingen van leden van de Vereeniging en in later jaren ook door legaten. Delen van het archief van de Vereeniging werden eveneens in de bibliotheek ondergebracht.
In 1855 verscheen uiteindelijk de eerste gedrukte catalogus, samengesteld door Muller op basis van de eerdere alfabetische lijst van Brinkman. De systematisch ingedeelde catalogus beschrijft de dan 938 nummers in de collectie, geannoteerd door Muller. Het gebruik van de boekerij door boekhandelaren en andere vaklieden viel hem echter danig tegen, zoals hij in de vergadering van 13 augustus 1855 aan de leden liet weten.
In 1859 was daarin weinig verandering gekomen maar Muller zag nu een andere taak voor de bibliotheek weggelegd: de bibliotheek als bewaarplaats van bronnen voor de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel. Het inspireerde hem de collectie verder uit te breiden en het leidde tot vele geschenken. In 1860 was de bibliotheek al 600 boeken, brochures en catalogi rijker.
In 1864 had Muller het manuscript gereed voor een supplementcatalogus. Gezien het geringe gebruik van de bibliotheek twijfelde hij aan het nut van een gedrukte uitgave. Hij stelde zelfs aan de Vereeniging voor de bibliotheek te verkopen (aan hemzelf), maar daar gingen de leden niet mee akkoord. Men besloot tot uitgave van het supplement en Muller trok zijn voorstel voor opheffing in. Met hernieuwd enthousiasme nam hij het beheer ter hand, zodat de bibliotheek in 1865 reeds 2200 werken omvatte. In 1867 verscheen de door hem samengestelde supplementcatalogus.
In het laatste decennium van zijn bibliothecariaat verwierf Muller nog vele aanwinsten, waarbij hij het vastgestelde jaarlijkse budget regelmatig overschreed. Tegen het eind van zijn aanstelling gaf hij het bestuur bovendien duidelijkheid over een wel heel bijzondere 'aanwinst', reeds lang door hem bewaard. Het betrof een groot deel van het archief van het Amsterdamse boekverkopersgilde, dat na de opheffing van de gilden in de Franse tijd niet was ingeleverd bij het Gemeentearchief. Muller ontdekte de belangrijke stukken, plaatste ze in de bibliotheek en reageerde niet op de herhaalde verzoeken om deze alsnog over te dragen. In 1876 legde hij de kwestie voor aan het bestuur met zijn dringende advies de stukken voor de bibliotheek te behouden. Wanneer het bestuur aldus zou beslissen stelde hij de Vereeniging bovendien zijn eigen, omvangrijke verzameling van brochures, circulaires en andere zeldzame drukwerken in het vooruitzicht. Het bestuur stemde in met Mullers voorstel, maar om geen slapende honden wakker te maken, bleef een en ander buiten de notulen.
In 1877 legde Frederik Muller na 32 jaar zijn functie van bibliothecaris neer; voor de bibliotheek moest een nieuw onderkomen worden gezocht. In 1876 was al een gedeelte verhuisd naar Het Vosje, het gebouw van de Vereeniging op het Rokin. Later werd de bibliotheek ondergebracht in een ruimte in het Bestelhuis van den Nederlandschen Boekhandel in de Spuistraat.
Als opvolger van Frederik Muller werd de boekhandelaar en uitgever Louis D. Petit (1847-1918) aangesteld. Petit, nog altijd bekend vanwege het Repertorium der verhandelingen en bijdragen betreffende de geschiedenis des vaderlands, was voordien al bibliothecaris geweest van de Vereeniging van Jongelieden in den Boekhandel Werkzaam. Onder zijn leiding werd het accent wat minder gelegd op de geschiedenis van het antiquariaat en meer op een algemene collectie betreffende het boek, waarvan ook de moderne boekhandel kon profiteren. Al na twee jaar vertrok Petit naar Leiden om daar bibliothecaris te worden van de Universiteitsbibliotheek.
Petit werd opgevolgd door R.W.P. de Vries (1841-1919), prominent antiquaar en veilinghouder, en lid van vele geleerde genootschappen. De Vries begon met het actief verzamelen van efemeer materiaal als circulaires, prospectussen en ander klein handelsdrukwerk. Daarmee legde hij de basis voor een aantal deelcollecties in de bibliotheek, waarvan de zogenaamde Prospectussen- en Personaliamappen, (met vele honderden dossiers over uitgeverijen, boekhandels en drukkerijen) de belangrijkste zijn. De basis voor een andere belangrijke deelcollectie, de boekhandelscatalogi, was al gelegd met de schenkingen van Muller en Jacob bij de oprichting van de bibliotheek.
In 1912 werd R.W.P. de Vries opgevolgd door zijn zoon A.G.C. de Vries (1872-1936), eveneens werkzaam in de boekhandel. A.G.C. de Vries vatte in 1917 het plan op voor een geheel nieuwe, systematische catalogus en werd hierin gesteund door uitgever Wouter Nijhoff, die de benodigde middelen wist bijeen te brengen. In 1921 verscheen – later dan gepland – het eerste deel van de catalogus, samengesteld door De Vries en Nijhoff. Hierin werd het bezit aan boeken, tijdschriften, overdrukken en handschriften per rubriek beschreven. Ook werden tijdschriftartikelen opgenomen. Twee jaar eerder was de Bibliotheek verhuisd naar het nieuwe Boekhuis aan de Herengracht.
In 1925 trad Emma Dronckers (1889-1979) aan als opvolgster van A.G.C. de Vries. Zij was de eerste bibliothecaris die niet afkomstig was uit het boekenvak en ook de eerste die een bezoldigde fulltime aanstelling kreeg. Tegelijkertijd riep de Vereeniging opnieuw een Commissie voor de Bibliotheek in het leven , die toezicht op de bibliothecaris moest houden.
Onder Dronckers' leiding verschenen de delen II t/m VI van de catalogus, waarbij in deel IV het bezit aan boekhandelscatalogi beschreven werd. Daarnaast vond ondermeer een herordening van de deelcollectie Prospectussen en Personalia plaats, waarbij het in de loop der jaren verzamelde materiaal aan bestaande dossiers werd toegevoegd en nieuwe dossiers werden samengesteld.
Bij deze operatie bleek dat de bibliotheek in het bezit was van vrijwel volledige archieven van de achttiende-eeuwse Leidse firma Luchtmans en de negentiende-eeuwse ondernemingen van Van Benthem & Jutting en Suringar. Het zou overigens tot de laatste twee decennia van de vorige eeuw duren voordat er weer archieven van boekhandels en uitgeverijen, alsook van organisaties in het boekenvak, aan de collectie werden toegevoegd.
Als opvolger van Dronckers kwam de neerlandicus A.L. Sötemann (1920-2002), die van 1949 tot 1957 de bibliotheek beheerde.
De Bibliotheek van het Boekenvak werd in 1958 in langdurig bruikleen gegeven aan de Universiteitsbibliotheek Amsterdam. In 2006 werd de gehele bibliotheek eigendom van de Stichting Bibliotheek van het Boekenvak.
Tot 1972 werden nieuw verschenen naslagwerken aangeschaft door de KVB, zodat de bibliotheekcollectie als onderzoekscollectie actueel bleef. Deze acquisitie werd vanaf dat moment gestaakt omdat veel van deze naslagwerken ook al door de Universiteitsbibliotheek werden aangeschaft.
De huidige Stichting Bibliotheek van het Boekenvak voert een actief verwervingsbeleid op het gebied van boekenvakarchieven. In overleg met de collectiebeheerder van de Universiteitsbibliotheek wordt op basis van een collectieplan voor de boekhistorische collecties gepoogd om lacunes in de collectie op te vullen. De stichting ontvangt regelmatig omvangrijke schenkingen, waarbij de laatste jaren de nadruk ligt op de verwerving van bedrijfsarchieven uit de negentiende en twintigste eeuw.
De collectie van de KVB zoals die in de negentiende eeuw al werd opgebouwd, bestaat uit een uitgebreide vakbibliotheek op het gebied van het boekwezen in de brede zin van het woord: boeken en tijdschriften op het gebied van de geschiedenis van het boek, grafische techniek en vormgeving, bibliografie, organisatie van boekhandel en uitgeverij, bibliotheekwezen, auteursrecht en perswezen. Daarnaast is er een uitgebreide collectie algemene en speciale bibliografieën.
Behalve deze vakbibliotheek bevat de collectie een grote verzameling bronnenmateriaal op het gebied van de geschiedenis van het boek, met een zwaartepunt op de geschiedenis van het Nederlandse boekenvak (boekproductie, boekhandel, boekwezen). Er is een omvangrijke verzameling fonds-, (fonds)veiling- en antiquariaatscatalogi, die gerekend moet worden tot de grootste en belangrijkste verzamelingen in de wereld. In iets minder mate geldt dat voor de verzameling letterproeven van Nederlandse en buitenlandse lettergieterijen en drukkerijen.
Ook zijn er archivalia – brieven, handschriften, circulaires, prospectussen, prenten, foto's, affiches, knipsels – betreffende de boekhandel en uitgeverij in Nederland. Veel van dit materiaal is opgenomen in de zogenoemde Prospectussen- & Personaliamappen, waarin circa 12.000 dossiers over boekbedrijven bijeen zijn gebracht. Van een aanzienlijk aantal bedrijven zijn min of meer complete archieven in de verzameling opgenomen Van de archieven van uitgeverijen mogen niet onvermeld blijven het archief van de Leidse firma Luchtmans – een van de twee vrijwel complete achttiende-eeuwse boekhandelsarchieven die in Nederland bewaard zijn gebleven – en de latere opvolger E.J. Brill, alsmede de archieven van belangrijke negentiende-eeuwse uitgeverijen als A.C. Kruseman, Ten Brink & De Vries, G.T.N. Suringar en Hugo Suringar. Daarnaast moet het archief van de Middelburgse firma Van Benthem & Jutting worden genoemd, een belangrijke regionale boekhandel. De twintigste eeuw is vertegenwoordigd met onder meer de archieven van de uitgeverijen H.J. Becht, J.M. Meulenhoff, Contact en Wolters Samsom. Het antiquariaat is onder meer vertegenwoordigd met de archieven van de firma's R.W.P. de Vries, Menno Hertzberger en Anton Gerits & Sons.
Een niet minder belangrijke bron voor onderzoek vormen de archieven van instellingen en organisaties in het boekwezen. Belangrijke voorbeelden zijn het archief van het Amsterdams Boekverkopersgilde, het omvangrijke archief van de Vereeniging zelf als ook de archieven van andere invloedrijke organisaties in het boekenvak, waaronder de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond, de Nederlandse Boekverkopersbond en de Nederlandse Vereniging van Antiquaren. Daarnaast zijn schilderijen, parafernalia, penningen en allerlei efemeer materiaal als kalenders, koppermaandagprenten en stofomslagen aanwezig. Hoewel de negentiende eeuw het sterkst is vertegenwoordigd, komt het accent door recente verwervingen van archieven steeds meer op de twintigste eeuw te liggen.
De Bibliotheek van de KVB is een van de meest omvangrijke en veelzijdige boekwetenschappelijke collecties ter wereld. Voor de geschiedenis en ontwikkeling van het Nederlandse boekbedrijf van de zeventiende eeuw tot heden omvat de collectie essentiële bronnen en documentatie.
Toen de Bibliotheek van het Boekenvak in 1958 in de Universiteitsbibliotheek kwam, werd Ger Brouwer (1919-2005) als bibliothecaris aangesteld. Hij was oud-medewerker van Menno Hertzbergers Internationaal Antiquariaat en inmiddels werkzaam bij de Universiteitsbibliotheek. In 1960 verhuisde de Bibliotheek naar het gebouw Ceres aan de Nieuwe Prinsengracht. Onder Brouwer verschenen deel VII van de catalogus, met de aanwinsten aan boeken en tijdschriften uit de periode 1949-1964, en deel VIII, met de aanwinsten aan boekhandelscatalogi uit de periode 1932-1973.
In 1983 verhuisde een deel van de collectie naar de hoofdvestiging van de Universiteitsbibliotheek aan het Singel en een jaar later het overige deel naar het UBA-boekendepot. In datzelfde jaar werd Brouwer opgevolgd door Marja Keyser (1944-), catalograaf bij de Universiteitsbibliotheek. Tijdens haar bibliothecarisschap verscheen deel IX van de catalogus (samengesteld door Paul Seebregts), waarin de brieven uit de collectie G.T.N. en Hugo Suringar werden beschreven. In 1987 werd het bruikleencontract vernieuwd en de doelstelling van de Bibliotheek van het Boekenvak als volgt weergegeven: 'het bijeenbrengen, in stand houden en beheren van een zo volledig mogelijke (respectievelijk representatieve) bibliotheek (mede omvattende documentaties, verzamelingen en archieven), betreffende het Nederlandse, respectievelijk buitenlandse boek in de breedste zin van het woord, inzonderheid betreffende boekhandel, antiquariaat en uitgeverij.'
In 1995 vierde de bibliotheek haar 150-jarig bestaan en wijdde de Universiteitsbibliotheek een tentoonstelling aan de eerste bibliothecaris Frederik Muller, waarbij materiaal uit de collectie werd gepresenteerd.
In 1996 werd de bibliotheek ondergebracht bij de afdeling Zeldzame en Kostbare Werken van de Universiteitsbibliotheek en werd Marja Keyser opgevolgd als bibliothecaris door de toenmalige voorzitter van de Commissie voor de Bibliotheek, Chris Schriks (1931-). Sindsdien is de voorzitter van deze commissie uit hoofde van zijn functie bibliothecaris. De dagelijkse werkzaamheden en het beheer zijn in handen van medewerkers van de Bijzondere Collecties.
Onder Schriks verschenen de laatste twee delen van de gedrukte catalogus: deel X, de brieven geschreven vóór 1900 uit de collectie Prospectussen en Personalia, en deel XI, letterproeven van Nederlandse gieterijen. Een keuze uit de letterproeven van de KVB en de collectie Tetterode werd in 1998 geëxposeerd. Ook werden onder Schriks twee cd-roms uitgebracht, waarop respectievelijk de prentencollectie en het overige deel van de collectie Prospectussen en Personalia werden ontsloten. De doelstellingen van de Bibliotheek werden nu bijgesteld: de nadruk kwam te liggen op de Nederlandse boekhandel.
In 2001 organiseerde de Universiteitsbibliotheek ter gelegenheid van de afronding van twee langlopende ontsluitingsprojecten, te weten het Prentenproject en het Personaliaproject, opnieuw een tentoonstelling met materiaal uit de collectie. Schriks werd in 2002 als bibliothecaris opgevolgd door Laurens van Krevelen (1941-).
Sinds 2004 wordt er gewerkt aan de ontsluiting van de afzonderlijke deelverzamelingen, waaronder archieven en collecties, middels online gepubliceerde collectiebeschrijvingen en inventarissen.
Anno 2006 is de stand van zaken met betrekking tot de ontsluiting van de bibliotheek als volgt. De monografieën en tijdschriften zijn beschreven in de Catalogus van de Universiteit van Amsterdam. Hetzelfde geldt voor de foto's, prenten, portretten, koppermaandagprenten, veilingcatalogi, het merendeel van de letterproeven, dossierbeschrijvingen (clusterbeschrijvingen) van firma's uit het boekenvak en brieven. Daarnaast zijn de prenten, portretten, dossierbeschrijvingen en brieven ook op een cd-rom ontsloten. Dit laatste geldt eveneens voor de bedrijfsdocumentatie. De handschriften zijn uitsluitend ontsloten in de gedrukte catalogus. De fonds- en antiquariaats-/magazijncatalogi zijn deels beschreven in de Catalogus van de Universiteit van Amsterdam, deels in de gedrukte catalogus, deels in de fichecatalogus. De fonds-, papier- en drukkerijveilingcatalogi zijn beschreven in de gedrukte catalogus en in de fichecatalogus. Een aantal archieven is ontsloten middels een plaatsingslijst, inventaris of register, het merendeel niet. De kalenders en het overige efemere drukwerk zijn niet ontsloten.
In 2008 is de verzameling 19de-eeuwse boekhandelsaffiches geïnventariseerd en gedigitaliseerd. Een honderdtal affiches is beschreven in de catalogus van het Universiteitsmuseum en raadpleegbaar via de beeldbank Affiches.
Vanaf 2004 wordt er gewerkt aan de beschrijving van de afzonderlijke deelverzamelingen, waaronder archieven en collecties, middels online gepubliceerde collectiebeschrijvingen en -inventarissen. Diverse deelverzamelingen zijn reeds beschreven, waaronder:
De collectie is toegankelijk voor onderzoek. Voor raadpleging is een bezoekerspas van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam vereist.
De collectie is deels verfilmd, de volgende onderdelen zijn raadpleegbaar vanaf microfiche:
De 19de-eeuwse boekhandelsaffiches zijn gedigitaliseerd en raadpleegbaar via de beeldbank Affiches.
Het materiaal in deze collectie wordt uitsluitend ter inzage gegeven. Enkele archieven kunnen uitsluitend op het UBA-boekendepot IWO geraadpleegd worden. Het is dan ook raadzaam vooraf contact op te nemen met de collectiebeheerder. Bij raadpleging is het Reglement voor de gebruikers van de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam van toepassing. Reproductie en reproductierechtvergoedingen conform de Tarieven en Diensten Universiteit van Amsterdam.
Bij verantwoording van het gebruik dient de collectie als geheel, of het afzonderlijke item ten minste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met een verkorte aanduiding.
De volgende collectieonderdelen kunnen worden aangevraagd met behulp van de Catalogus van de Universiteit van Amsterdam:
De volgende collectieonderdelen kunnen worden aangevraagd bij de balie van de Onderzoekzaal:
Vermeld dient te worden: de signatuur.
In de Collectie Tetterode zijn ook publicaties op het gebied van de boekproductie, alsmede letterproeven, kalenders, koppermaandagprenten en ander efemeer drukwerk.